China vs Amerika: De AI-Strijd die Iedereen Raakt
In januari 2025 bracht een relatief onbekend Chinees AI-bedrijf een model uit dat benchmarks haalde die vergelijkbaar waren met de beste westerse systemen. De naam was DeepSeek. De reactie in Silicon Valley was onmiddellijk: aandelenkoersen daalden, Nvidia verloor in één dag honderden miljarden aan beurswaarde, en techcommentatoren schreven in paniek over wat het betekende dat China dit had geflikt met een fractie van de compute die OpenAI of Anthropic gebruikt.
Dat was geen toevallig moment. Het was een illustratie van een strijd die al jaren gaande is en die zich steeds verder uitbreidt: de wedstrijd tussen de VS en China om wie de bepalende macht wordt in AI. Die strijd speelt zich af in chips, universiteiten, militaire laboratoria, exportwetgeving en investeringsrondes. En hoewel het ver weg lijkt vanuit Nederland, raakt het hier heel concreet.
Chips zijn het fundament van alles
Om te begrijpen waarom de VS-China AI-strijd de vorm heeft die het heeft, moet je beginnen bij chips. Niet de AI-modellen zelf, maar de halfgeleiders die nodig zijn om ze te trainen.
Een modern AI-model zoals GPT-4 of Claude 3.5 Sonnet is getraind op duizenden geavanceerde GPU's, voornamelijk van Nvidia. Die GPU's worden gefabriceerd door TSMC in Taiwan, op basis van procesknopen van enkele nanometers. Om op die schaal te produceren heb je een specifieke categorie machines nodig: extreme-ultraviolet lithografiemachines, die maar op één plek ter wereld worden gemaakt.
Dat is Veldhoven.
ASML is een Brabants bedrijf dat een onvervangbare positie heeft in de mondiale halfgeleiderketen. Geen andere fabrikant ter wereld maakt EUV-machines op vergelijkbare kwaliteit. Zonder ASML kan TSMC de chips niet produceren die Nvidia nodig heeft om de GPU's te maken die de AI-race aandrijven.
Die positie heeft ASML tot inzet van geopolitiek gemaakt. De VS heeft Nederland, mede onder diplomatieke druk van Washington, overgehaald om de export van de meest geavanceerde ASML-machines naar China te beperken. Dat is niet zonder gevolgen: China is een van ASMLs grootste markten, en de exportbeperkingen kosten het bedrijf omzet. Tegelijkertijd verdedigt de Nederlandse overheid de maatregel als noodzakelijk om te voorkomen dat China zijn militaire AI-capaciteiten versneld opbouwt.
Hier raakt geopolitiek de Nederlandse economie direct. ASML heeft tienduizenden werknemers in Nederland. De exportbeperkingen zijn niet alleen een abstract veiligheidsdebat; ze gaan ook over banen, belastinginkomsten en de vraag hoever Nederland wil gaan om een Amerikaans buitenlandbeleid te volgen.
ASML als geopolitiek instrument
De VS beschouwt geavanceerde halfgeleiderfabricage als een nationaal veiligheidsbelang. Via de Foreign Direct Product Rule kunnen de VS exportbeperkingen opleggen aan producten die zijn gemaakt met Amerikaans intellectueel eigendom, ook als ze in Nederland worden gebouwd. ASML staat daarmee in een spanningsveld: een Nederlands bedrijf met een globale klantenkring, maar opererend binnen een diplomatieke werkelijkheid die grotendeels in Washington en Peking wordt bepaald.
De Chinese aanpak: staatssturing en efficiëntie
China behandelt AI niet als een marktuitkomst. Het is een staatsprioriteit, vergelijkbaar met de manier waarop de Sovjet-Unie ruimtevaart behandelde: topdown, met nationaal prestige als drijfveer, en met enorme staatsinvesteringen.
De Chinese overheid heeft in de "Next Generation Artificial Intelligence Development Plan" uit 2017 al vastgelegd dat China in 2030 de mondiale leider in AI wil zijn. Er zijn nationale AI-kampioenen aangewezen: Baidu voor autonome voertuigen, Alibaba voor smart cities, Tencent voor medische beeldanalyse, iFlytek voor spraakherkenning. Die bedrijven ontvangen overheidscontracten, goedkoop kapitaal en toegang tot staatsdata.
DeepSeek is interessant omdat het niet het typische Chinese staatsbedrijf is. Het is opgericht door een quantumfonds en opereert meer als een westers AI-lab. Maar het succes van DeepSeek illustreert iets breder: Chinese onderzoekers zijn niet alleen kopieerders meer. Ze leveren methodologische innovaties die de westerse AI-gemeenschap verrassen.
Wat China ook heeft, is data. Niet alleen volume, maar toegang. Overheidssurveillance-systemen, social media van 1,4 miljard gebruikers, zorgdata van de grootste bevolking ter wereld. De privacybescherming die in Europa de dataverzameling beperkt, bestaat in China in veel zwakkere vorm. Dat is een klinische observatie, geen moreel oordeel, maar het heeft wel concrete gevolgen voor de kwaliteit en diversiteit van trainingsdata.
De keerzijde is politieke sturing. Chinese AI-modellen zijn aantoonbaar gecensureerd op bepaalde onderwerpen: Tiananmen, Taiwan, kritiek op de Communistische Partij. Dat is niet alleen een mensenrechtenkwestie. Het is ook een technische beperking: een model dat bepaalde feiten niet mag reproduceren, heeft een blinde vlek die zijn bruikbaarheid voor internationale gebruikers beperkt.
De Amerikaanse aanpak: privaat kapitaal, overheidssteun op afstand
De VS heeft geen staatsgeleide AI-strategie. Wat het heeft, is een ecosysteem van private bedrijven met toegang tot enorm kapitaal, een mondiale markt, en tot voor kort: onbeperkte rekenkracht.
OpenAI ontving honderden miljarden van Microsoft. Anthropic heeft commitments van Amazon voor vier miljard dollar. Google investeert in zijn eigen modellen terwijl het ook aandelen heeft in Anthropic. xAI van Elon Musk heeft miljarden opgehaald. Meta geeft tientallen miljarden uit aan AI terwijl het tegelijk open source modellen publiceert.
Dit is een fundamenteel andere aanpak dan de Chinese. De VS rekent erop dat concurrentie en marktwerking de beste modellen oplevert, en dat overheidsinterventie de innovatie vertraagt. Er is wel overheidssteun in de vorm van DARPA-onderzoek, defensiecontracten en exportcontroles als bescherming, maar geen directe staatssturing over wat er gebouwd wordt.
De sterkte van dit model: er is geen politieke sturing over de inhoud van de modellen. OpenAI, Anthropic en Google kunnen vrij opereren binnen de wet. De zwakte: de modellen weerspiegelen de waarden van de bedrijven die ze bouwen, en die bedrijven zijn zelf niet democratisch verantwoord. Ze worden aangestuurd door aandeelhouders, niet door kiezers.
Er is ook een discussie binnen de VS over of de aanpak goed genoeg is. Het CHIPS and Science Act uit 2022 trekt productie van halfgeleiders terug naar de VS: Intel, TSMC en Samsung bouwen nieuwe fabs in Arizona en Ohio. Dat is een directe reactie op de kwetsbaarheid die de pandemie blootlegde, toen een chiptekort de auto-industrie platlegde. Maar een fab bouwen duurt jaren, en de leidende positie van TSMC in Taiwan is niet snel te evenaren.
De talentenoorlog
Een minder zichtbaar maar cruciaal onderdeel van de AI-strijd is talent. Wie de beste AI-onderzoekers heeft, heeft een structureel voordeel.
De VS heeft hier een historisch voordeel dat stamt uit de keuze van de beste studenten wereldwijd om naar Amerikaanse universiteiten te gaan: MIT, Stanford, Carnegie Mellon, Berkeley. Een aanzienlijk deel van de pioniers van moderne AI is niet Amerikaans van geboorte: Yann LeCun is Frans, Geoffrey Hinton is Brits-Canadees, Ilya Sutskever is Russisch-Israelisch, Andrew Ng is Brits-Chinees. Ze zijn naar de VS gegaan omdat de financiering, de netwerken en de academische vrijheid daar beter waren.
China heeft hier actief aan gewerkt. Het Thousand Talents Plan, een staatsinitiatief om internationale AI-onderzoekers terug naar China te trekken, heeft duizenden wetenschappers aangetrokken met aantrekkelijke salarissen en onderzoeksfaciliteiten. Er zijn ook zorgen in de VS en Europa dat het programma wordt gebruikt voor technologieoverdracht buiten de gebruikelijke kanalen. Dat heeft geleid tot FBI-onderzoeken en universiteitsregels over samenwerking met Chinese instellingen.
Het resultaat is een toenemende scheiding van de AI-onderzoekswereld in twee kampen die steeds minder samenwerken. Vroeger gold in de academische wereld dat kennis vrij gedeeld werd via publicaties. Dat is nog steeds grotendeels zo, maar er is een groeiende categorie onderzoek dat geclassificeerd is, dat bedrijven voor zichzelf houden, of dat overheden beschouwen als te gevoelig om te publiceren.
Dat heeft gevolgen voor de snelheid van vooruitgang. Open science werkt: als iedereen elkaars bevindingen kan lezen en daarop voortbouwen, gaat de kennis sneller vooruit. Als de wereld in twee kampen splitst die elkaar niet meer inzien in, krijg je parallelle trajecten die niet van elkaar leren.
De academische scheiding
Chinese wetenschappers publiceerden jarenlang vrijuit in westerse AI-conferenties zoals NeurIPS en ICML. Die samenwerking staat onder druk. Sommige westerse universiteiten hebben richtlijnen ingevoerd voor samenwerking met Chinese instellingen. Enkele AI-bedrijven screenen sollicitanten op nationaliteit. Of die maatregelen effectief zijn of simpelweg de academische kennisdeling schaden, is een open debat. Maar de richting is duidelijk: de splitsing verdiept.
De militaire dimensie
AI en militaire capaciteiten zijn niet te scheiden. Dat is een ongemakkelijk feit, maar wel een feit.
Autonome wapensystemen, drones die zelf doelen identificeren, cyberoffensieve AI, predictive intelligence, logistieke optimalisatie voor troepenbewegingen: al deze toepassingen worden actief onderzocht door de VS, China, Rusland en andere landen. De National Security Commission on Artificial Intelligence, geleid door voormalig Google-topman Eric Schmidt, concludeerde al in 2021 dat de VS zich moet voorbereiden op een wereld waarin AI-gestuurde conflicten reëel zijn.
China heeft in zijn militaire doctrine expliciet de ambitie opgenomen om tegen 2049 de sterkste militaire macht ter wereld te zijn, mede dankzij AI. Het Peoples Liberation Army heeft eigen AI-labs en werkt samen met civiele techbedrijven. De scheiding tussen civiel en militair is in China dunner dan in westerse rechtsstaten.
De VS reageert met eigen investeringen: het Joint Artificial Intelligence Center van het Pentagon, later omgevormd tot het Chief Digital and Artificial Intelligence Office, coördineert AI-inzet bij defensie. Project Maven, waarbij Google aanvankelijk AI-analyse leverde voor droneanvallen, leidde tot intern protest bij Google-medewerkers en werd uiteindelijk niet verlengd. Maar het project bestaat nog wel, onder een andere contractor.
Europa heeft hier een bijzondere positie. NAVO-lidstaten zijn bondgenoten van de VS, maar Europese democratische tradities en publieke opinie zijn vaak terughoudender over militaire AI. Er zijn serieuze debatten in het Europees Parlement over autonome wapensystemen. Die discussies zijn niet abstract: ze gaan over wat het betekent als een algoritme beslist of iemand een doelwit is.
Waar Europa staat
Europa heeft in deze strijd geen vanzelfsprekende rol. Het heeft de VS niet de schaalvoordelen van de private sector, en China niet de staatsmacht om industrie te sturen. Wat het heeft, zijn normen.
De EU AI Act is de eerste uitgebreide AI-wetgeving ter wereld. Of die wet innovatie bevordert of remt, is een debat dat nog lang niet beslecht is. Maar het feit dat de EU regels stelt die ook voor buitenlandse AI-bedrijven gelden als ze in Europa actief zijn, heeft een effect dat wordt aangeduid als de Brussels Effect: Europese standaarden worden de facto mondiale standaarden, omdat multinationals niet twee aparte versies van hun product willen bouwen.
Dat is niet niets. De GDPR heeft de wereldwijde privacynorm beïnvloed op een manier die groter is dan Europa's economische gewicht rechtvaardigt. De AI Act kan een vergelijkbaar effect hebben.
Maar normen zijn geen chips en geen modellen. Europa heeft geen frontier AI-lab dat kan concurreren met OpenAI of Google. Mistral AI uit Parijs is het meest veelbelovende Europese voorbeeld, maar het is een bedrijf van een paar honderd mensen dat opereert in een markt die wordt gedomineerd door bedrijven met tienduizend medewerkers en budgetten die de Europese defensiebegroting van sommige landen overtreffen.
De afhankelijkheid is concreet: Europese overheden, ziekenhuizen, scholen en bedrijven draaien grotendeels op cloud-infrastructuur van Amazon, Microsoft en Google, en op AI-modellen van dezelfde bedrijven. Dat werkt uitstekend in normale tijden. Maar als geopolitieke verhoudingen verschuiven, als een handelsconflict escaleert, als sancties worden ingesteld, dan blijkt die afhankelijkheid een kwetsbaarheid.
De vraag voor Europa is niet of het de VS of China kan verslaan in de AI-race. Die vraag is niet zinvol. De vraag is of Europa een positie kan bewaren van strategische autonomie: de capaciteit om eigen keuzes te maken over AI-gebruik, op basis van eigen waarden, zonder volledig afhankelijk te zijn van technologie waarover het geen zeggenschap heeft.
Waarom dit voor Nederlanders iets betekent
Het is verleidelijk om dit te zien als een verre strijd tussen supermachten. Dat is het niet.
De exportbeperkingen op ASML raken direct Nederlandse werknemers en aandeelhouders. De discussie over wie Chinese AI-hardware verkoopt, bepaalt hoeveel ASML mag verkopen en aan wie. Dat is een Nederlandse economische kwestie.
Als AI-systemen die kritieke beslissingen ondersteunen, in de zorg, bij de overheid, in de financiële sector, gebouwd en beheerd worden door bedrijven die onderhevig zijn aan Amerikaanse of Chinese wet- en regelgeving, dan heeft Nederland daar beperkte zeggenschap over. De CLOUD Act geeft de Amerikaanse overheid toegang tot data die in principe ook op Europese servers staat, als de beherende bedrijven Amerikaans zijn. Dat is geen hypothetisch risico; het is de geldende juridische werkelijkheid.
De militaire dimensie raakt Nederland als NAVO-lid. Als NAVO-bondgenoten steeds meer autonome systemen inzetten in conflictgebieden, moet Nederland een positie innemen over de ethische grenzen daarvan. Die positie moet gebaseerd zijn op een begrip van de technologie, niet alleen op politieke intuïtie.
En er is een algemenere dimensie: welke AI-systemen gebruik jij dagelijks? Welk bedrijf heeft de data? Welke wet beschermt je als het misgaat? De vraag welke AI-macht dominant wordt, bepaalt mede het antwoord op die vragen.
De stille afhankelijkheid
Een groot deel van de Nederlandse overheidsdigitalisering draait op diensten van Amerikaanse technologiebedrijven. Dat is praktisch en efficiënt, maar het heeft een geopolitieke ondertoon. Als de VS-EU-relaties ooit serieus verslechteren, is de afhankelijkheid van Amerikaanse cloud en AI-diensten geen abstracte kwetsbaarheid meer. De strategische waarde van Europese alternatieven, hoe kleiner en minder volwassen ook, zit precies in die buffer.
De race is niet binair
Wie de strijd beschrijft als een simpele race waarbij aan het einde één winnaar staat, vereenvoudigt het teveel.
Wat waarschijnlijker is, is een wereld van technologische fragmentatie. Een westerse AI-wereld en een Chinese AI-wereld die steeds minder interoperabel zijn, met landen en regio's die keuzes maken over welke systemen ze gebruiken op basis van geopolitieke allianties, niet alleen technische kwaliteit. Dat is niet zo anders dan wat er nu al gebeurt met mobiele communicatienetwerken: het debat over Huawei en 5G-infrastructuur was een vroeg voorbeeld van precies die fragmentatie.
Voor bedrijven die internationaal opereren, betekent dat complexiteit. Een multinational die in zowel China als Europa actief is, zal te maken krijgen met incompatibele AI-regelgeving, verschillende datasovereiniteitsregels, en mogelijk druk om te kiezen welk systeem ze gebruiken.
Voor gewone gebruikers betekent het dat de AI-tool die over vijf jaar het meest gebruikt wordt, mede wordt bepaald door geopolitieke beslissingen die nu worden genomen, niet alleen door welk product technisch het best is.
De meest eerlijke observatie is dat niemand precies weet hoe dit afloopt. De VS heeft momenteel het sterkste ecosysteem van frontier AI-labs. China haalt snel in. Europa heeft normen maar geen schaal. En de technologie zelf is nog vroeg genoeg dat een onverwachte doorbraak de verhoudingen opnieuw kan veranderen, net zoals DeepSeek in januari 2025 even alles op zijn kop zette.
Wat zeker is: de beslissingen die in de komende vijf jaar worden genomen, over chips, over regelgeving, over investeringen, over militaire AI, over datasoevereiniteit, leggen een fundament dat tientallen jaren standhoudt. Dat is het gewicht van het moment.
Volg jij de AI-geopolitiek van dichtbij, of is het voor jou nog een ver-van-je-bedshow? Ik ben benieuwd of het perspectief van hier uit anders aanvoelt dan het vanuit Washington of Peking wordt verteld.
Jesse Burger
Schrijft over kunstmatige intelligentie, de impact op ons dagelijks leven, en de toekomst van technologie.