Jesse Burger
Terug naar blog
Beleid·Nederland

Waarom Nederland Een AI-Strategie Nodig Heeft

Jesse Burger··12 min leestijd
§

ASML in Veldhoven bouwt de machines waarzonder geen enkele geavanceerde AI-chip ter wereld gemaakt kan worden. Het Amsterdam Machine Learning Lab aan de Universiteit van Amsterdam heeft fundamenteel NLP-onderzoek gedaan dat aan de basis ligt van moderne taalmodellen. Booking.com, een van de meest geavanceerde personalisatie-engines ter wereld, is een Amsterdams bedrijf.

En toch: als je op een kaart van mondiale AI-investeringen kijkt, zijn de VS en China bergketens. Europa is een reeks heuvels. Nederland is een kleine verhevenheid in de vlakte.

Dat is de tegenstelling die dit stuk probeert te verhelderen.

Waar Nederland werkelijk staat

Eerlijk gezegd: Nederland heeft geen AI-strategie die die naam verdient. Er zijn plannen, subsidies, commissies en rapporten. Het Nationale AI-programma ELSA bestaat. TNO en NWO financieren onderzoek. Maar een gecoördineerde visie die Nederland positioneert als een serieuze speler in AI ontbreekt.

Dat is des te opvallender omdat er op onderdelen werkelijk uitzonderlijke sterkte is.

ASML is het meest voor de hand liggende voorbeeld. Zonder de extreme-ultraviolet lithografiemachines die in Veldhoven worden gebouwd, kan niemand, niet TSMC in Taiwan, niet Samsung in Korea, niet Intel in de VS, de meest geavanceerde halfgeleiders produceren die AI-systemen aandrijven. Die positie heeft geopolitieke consequenties: de exportbeperkingen op ASML-machines naar China zijn een van de felst bestreden onderwerpen in de internationale handelspolitiek.

De Universiteit van Amsterdam heeft een AI-onderzoeksgroep die internationaal wordt erkend als een van de sterkste in Europa. Max Welling, die er werkt, is mede-uitvinder van variational autoencoders, een fundamentele bouwsteen van generatieve AI. Philips heeft zich getransformeerd tot een gezondheidstechnologiebedrijf waarbij AI-gestuurde diagnostiek centraal staat. Adyen verwerkt betalingen met fraudedetectie die draait op eigen machine learning-modellen.

Daar komen nog de TU Delft bij, met een sterke robotica- en computer vision-groep, de TU Eindhoven via de EAISI-onderzoeksgroep, en een rij spinoffs als Chatlayer, Robovision en Orikami, bedrijven opgericht door Nederlandse onderzoekers die inmiddels internationaal opereren.

Het Nederlandse ecosysteem heeft meer diepte dan de buitenwereld beseft, en meer dan de Nederlandse politiek erkent.

Maar we verbinden die sterkte niet. We schalen niet. En we lopen het risico dat we de volgende generatie talent en bedrijven kwijtraken aan landen die wel een plan hebben.

Het breinverlies naar Silicon Valley

Er is een patroon dat iedereen in het Nederlandse tech-ecosysteem kent maar niemand graag hardop benoemt: de beste mensen vertrekken.

Een recent afgestudeerde PhD-student van de UvA of TU Delft heeft een keuze. Werken bij een Nederlands bedrijf of onderzoeksinstituut voor een salaris dat in lijn ligt met de Nederlandse markt. Of gaan naar OpenAI, Google DeepMind, Meta AI of Anthropic voor een compensatiepakket dat drie tot vijf keer zo hoog is, met directe toegang tot de krachtigste compute-infrastructuur ter wereld.

De keuze is rationeel.

Nederland kan simpelweg niet concurreren op salaris met Silicon Valley. Dat is geen verwijt aan Nederlandse bedrijven; het is een kwestie van marktschaal. Een Amerikaans AI-bedrijf heeft toegang tot de grootste consumentenmarkt ter wereld in één taal, met venture capital dat in schaal tientallen keren groter is dan wat hier beschikbaar is.

De stille uittocht

Hoeveel Nederlands AI-toptalent momenteel in de VS werkt, is niet precies bij te houden. Maar in gesprekken met mensen van de UvA, TU Delft en TU Eindhoven wordt dezelfde schatting steeds genoemd: een aanzienlijk deel van de beste studenten van de afgelopen tien jaar zit nu bij Amerikaanse techbedrijven. Menselijk kapitaal dat hier is opgeleid, mede met publiek geld, waarvan de vruchten elders worden geplukt.

Dit is niet uniek voor Nederland. Duitsland heeft hetzelfde probleem. Frankrijk ook. Maar het betekent wel dat Europa structureel talent exporteert naar de VS. Zolang daar geen antwoord op komt, bouwen we mee aan andermans AI-dominantie.

De oplossing is niet protectionistisch denken. Maar je kunt wel actief investeren in redenen om hier te blijven of naartoe te komen: uitstekende onderzoeksfaciliteiten, een aantrekkelijk leven, en een ecosysteem waar serieus werk mogelijk is.

Het startup-ecosysteem: goed, maar niet goed genoeg

Amsterdam wordt regelmatig genoemd als een van de toonaangevende Europese tech-hubs. Dat klopt, tot op zekere hoogte. Er is capital, er is talent, er is internationale connectiviteit. Maar vergeleken met wat nodig is om in AI serieus te concurreren, schiet het tekort.

Het fundamentele probleem is een gebrek aan late-stage capital. Early-stage investeerders zijn er genoeg, seed-rondes worden met enige regelmaat gesloten. Maar als een Nederlands AI-bedrijf echt gaat schalen, Series B en C-financiering nodig heeft, honderden miljoenen om competitieve compute te kopen en toptalent te werven, dan moet het naar de VS. En eenmaal in dat traject is de kans groot dat het bedrijf ook fiscaal en operationeel daarheen verhuist.

Cohere, een van de meest veelbelovende AI-bedrijven buiten de VS, werd mede opgericht door mensen die eerder in Canada werkten. Mistral AI is Frans maar haalde zijn fondsen mede uit de VS. Zelfs de meest succesvol geachte Europese AI-bedrijven zijn afhankelijk van niet-Europees kapitaal. De waardecreatie, de aandelenwinst, de werkgelegenheid bij schaal, de belastinginkomsten, komt daarmee uiteindelijk elders terecht.

Er zijn ook sector-specifieke kansen die onbenut blijven. De Nederlandse agro-food sector met BASF, FrieslandCampina en Wageningen Universiteit is een perfecte toepassing voor AI in precisielandbouw en supply chain management. De haven van Rotterdam genereert enorme hoeveelheden logistieke data. De Nederlandse watersector zit op vraagstukken waarbij AI voor klimaatadaptatie een sleutelrol kan spelen. Dit zijn niches waar Nederland wereldleider kan zijn, maar dan moet er een instantie zijn die de verbinding legt tussen sectorale expertise en AI-capaciteit.

De EU AI Act: bescherming of belemmering?

Europa heeft met de AI Act iets gedaan wat geen enkele andere regio ter wereld heeft gedaan: het heeft uitgebreide, bindende regelgeving vastgesteld voor AI-systemen. Dat is een historisch feit, en het is niet zonder waarde.

De AI Act introduceert een risicogebaseerde benadering. Laag-risico toepassingen krijgen weinig beperkingen. Hoog-risico toepassingen, zoals AI in medische diagnoses, kredietbeoordelingen en strafrechtelijke besluitvorming, moeten voldoen aan strenge eisen voor transparantie en menselijk toezicht. Bepaalde AI-toepassingen zijn verboden.

Maar er zijn serieuze problemen.

Het compliance-burden raakt kleine spelers harder. Een grote onderneming heeft de juridische capaciteit om de AI Act te navigeren. Een startup van twaalf mensen die een medisch diagnostisch hulpmiddel bouwt, heeft die capaciteit niet. De regeldruk werkt disproportioneel in het voordeel van de grote, gevestigde spelers.

De regels gelden ook niet gelijk voor iedereen. OpenAI, Google en Meta ontwikkelen hun modellen in de VS en hoeven pas aan de AI Act te voldoen op het moment dat ze hun producten in Europa aanbieden. Een Europees bedrijf dat hetzelfde wil bouwen, draagt de volledige compliance-last van dag één.

En de onzekerheid remt investeerders. Zolang de exacte interpretatie van de AI Act niet helder is, en dat zal nog jaren duren, zullen risicomijdende Europese investeerders terughoudend zijn.

De AI Act en wat het voor Nederland betekent

Nederland als EU-lidstaat heeft de AI Act niet zelf geschreven maar moet hem wel uitvoeren. Dat betekent een toezichthouder aanwijzen, handhavingscapaciteit opbouwen en bedrijven begeleiden bij compliance. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft al een rol geclaimd, maar de concrete invulling is nog grotendeels onduidelijk. Dat is een bestuurlijk gat dat snel gevuld moet worden, niet om bedrijven te belasten, maar om duidelijkheid te geven.

Een stellingname tegen de AI Act in zijn geheel is niet op zijn plaats. Maar slimme implementatie wel: actief lobbyen voor werkbare uitzonderingen voor innovatie, snelle en heldere guidance voor startups, en proportionele handhaving.

Digitale soevereiniteit

Er is een term die de afgelopen jaren opduikt in beleidsdocumenten maar zelden concreet wordt gemaakt: digitale soevereiniteit. Het idee is eenvoudig. Als de meest kritieke digitale infrastructuur, cloud computing, AI-modellen, databeheer, volledig in handen is van buitenlandse bedrijven, ben je als land kwetsbaar.

Nederlandse overheidsinstellingen draaien op Microsoft Azure, AWS en Google Cloud. Dat is op zich niet per se problematisch, maar het betekent wel dat de data van Nederlandse burgers en de werking van kritieke digitale infrastructuur afhankelijk zijn van contracten met Amerikaanse bedrijven die onderhevig zijn aan Amerikaanse wetgeving, inclusief de CLOUD Act. Die wet geeft de VS-overheid onder bepaalde omstandigheden toegang tot data ook als die buiten de VS is opgeslagen.

In vredestijd lijkt dit theoretisch. Maar geopolitieke verhoudingen kunnen snel verschuiven. Wie had tien jaar geleden gedacht dat ASML-exportvergunningen een kernthema zouden zijn in de diplomatieke betrekkingen tussen Washington en Peking?

Digitale soevereiniteit betekent concreet:

  • Investeren in Europese cloud-alternatieven zoals Hetzner en OVHcloud, en het stimuleren van nieuwe Nederlandse aanbieders
  • Een nationaal AI-rekencluster opbouwen voor overheidsgebruik en fundamenteel onderzoek, vergelijkbaar met wat Frankrijk doet met Jean Zay
  • Zorgen dat modellen die kritieke overheidsbeslissingen ondersteunen aantoonbaar en controleerbaar zijn
  • Actief participeren in Europese initiatieven zoals GAIA-X en de European High Performance Computing Joint Undertaking

Dit vraagt om investeringen. Maar volledige strategische afhankelijkheid van buitenlandse technologiebedrijven is op de lange termijn duurder, niet goedkoper.

Kleine landen kunnen groot spelen

Het pessimisme dat soms in dit debat sluipt is niet gerechtvaardigd. Ja, de VS en China hebben schaalvoordelen die Nederland nooit zal evenaren. Maar kleine landen kunnen op strategische wijze boven hun gewichtsklasse uitstijgen. Er zijn voorbeelden.

Israel heeft een technologisch ecosysteem gebouwd dat, gemeten naar capita, wereldleider is. Tel Aviv is een serieuze AI-hub, het resultaat van decennia gericht overheidsbeleid, nauwe samenwerking tussen het leger en de tech-sector, en een risicocultuur die falen normaliseert. De Unit 8200 heeft meer tech-founders voortgebracht dan welk instituut ook.

Finland heeft een van de sterkste digitale overheden ter wereld gebouwd. Bijna alle overheidsdiensten zijn digitaal via de Suomi.fi-infrastructuur. Het "Elements of AI" programma wordt inmiddels wereldwijd gebruikt.

Singapore heeft actief AI-talent aangetrokken met gerichte visaprogramma's, fiscale voordelen en publieke investeringen in compute-infrastructuur. Het heeft bovendien een nationale AI-strategie die periodiek wordt herzien en concreet is in doelstellingen en tijdlijnen.

Nederland heeft vergelijkbare potentie. We hebben de logistieke infrastructuur, de internationale oriëntatie, de rechtsstaat, de talenkennis en de bestaande tech-basis. Wat ontbreekt is de bereidheid om keuzes te maken en die keuzes te financieren.

De mythe dat we als klein land niets kunnen doen is een excuus. Grootte is een voordeel, maar het is niet het enige voordeel. Snelheid, focus en strategische slimheid tellen ook.

Wat de overheid zou moeten doen

Niet aspirationeel gepraat, maar beleid dat uitvoerbaar is als er politieke wil voor bestaat.

Investeer in compute-infrastructuur voor onderzoek en overheid. Nederland heeft geen nationale AI-supercomputer. Het Snellius-systeem van SURF is waardevol maar onvoldoende voor competitief frontier-onderzoek. Een nationaal AI-rekencluster, het liefst in samenwerking met Duitsland en Frankrijk, zou het mogelijk maken dat Nederlandse onderzoekers en startups op schaal kunnen werken.

Maak de kennismigrant-regeling aantrekkelijker en eenvoudiger. De 30%-regeling is een instrument, maar de bureaucratie eromheen is een rem. Vereenvoudig het aanvraagproces en voeg actieve internationale wervingscampagnes toe gericht op AI-talent dat kiest tussen Europa en de VS.

Richt een Nationaal AI-Innovatiefonds op met echte schaal. InvestNL en het NWO zijn nuttig maar te klein en te risicomijdend voor de AI-sector. Een specifiek fonds met een mandaat voor risicovolle, langetermijninvesteringen, vergelijkbaar met het DARPA-model maar kleiner, zou het gat dichten tussen fundamenteel onderzoek en commercialisering.

Gebruik de overheid als launching customer. De overheid is een van de grootste kopers van software in Nederland. Als de overheid actief kiest voor Nederlandse of Europese AI-oplossingen bij aanbestedingen, mits van adequate kwaliteit, creëert dat een binnenlandse markt waarbinnen startups kunnen bewijzen wat ze kunnen.

Maak AI een verplicht onderdeel van het MBO- en HBO-curriculum. De AI-transitie is niet een zaak van ingenieurs alleen. Werknemers in zorg, logistiek, financiën en overheid zullen allemaal met AI-systemen werken. Als je niet investeert in brede AI-geletterdheid, creëer je een tweedeling tussen mensen die AI-tools begrijpen en mensen die er passief aan worden blootgesteld.

Positioneer Nederland als Europese AI-hub via actieve lobby in Brussel. De regels van de AI Act worden de komende jaren in de praktijk gevormd. Nederland zou actief moeten lobbyen voor implementatievriendelijke uitvoeringsbesluiten, werkbare uitzonderingen voor startups en onderzoeksinstellingen, en een Europese aanpak die innovatie niet kapot reguleert.

Nuchter en concreet

Nederland gaat geen GPT-7 bouwen. We worden geen concurrent voor Nvidia. De schaalverschillen zijn reëel.

Maar er is meer mogelijk dan een passieve consument van technologie die elders wordt gebouwd. We hebben de ingrediënten: een sterke kennisinfrastructuur, een pragmatische en internationaal georiënteerde cultuur, een stevige rechtsstaat, en via ASML een onvervangbare positie in de mondiale AI-toeleveringsketen.

Wat opvalt in het Nederlandse AI-debat is het gebrek aan strategische urgentie. Niet de paniek die opduikt wanneer weer een chatbot iets fascinerends doet, maar de kalme, nuchtere urgentie die behoort bij een overheid die begrijpt dat de technologische keuzes van vandaag de economische realiteit van 2035 bepalen. Die urgentie zie je in Singapore. Je ziet haar in Finland. In Den Haag mis je haar nog te vaak.

AI-dominantie bouwt zich op in de komende vijf tot tien jaar. De bedrijven en ecosystemen die nu wortels schieten, zullen over tien jaar de dominante spelers zijn. Als Nederland pas over vijf jaar een echte strategie formuleert, is het te laat om meer te zijn dan een afzetmarkt voor technologie die elders is gemaakt.

De inzet is niet het winnen van een race, maar het bewaren van het vermogen om mee te spelen, op eigen voorwaarden, met eigen waarden, met eigen belangen beschermd.


Als je dit leest en je werkt in AI, in beleid, in onderwijs, of in de tech-sector in Nederland: dit gesprek moet breder gevoerd worden. Niet alleen in Haagse commissievergaderingen of op tech-conferenties, maar in het gewone publieke debat.

§
JB

Jesse Burger

Schrijft over kunstmatige intelligentie, de impact op ons dagelijks leven, en de toekomst van technologie.